zondag 23 augustus 2009

Vera



Vera bewoont een klein zijkamertje naast de entree van de kerk waarin het winkeltje met gebedsboekjes, Orthodoxe sierraden en ansichtkaarten is gevestigd. Het smalle kamertje van niet maar dan een meter breed wordt normaalgesproken gebruikt om thee te zetten en aardappels te koken voor de maaltijd na de dienst. Nu er aan de kerk wordt gewerkt is het buiten gebruik en gehuld in het geluid van klapperend plastic dat om de steigers buiten is gebonden. Ze heeft er een klein gasstel, een koelkast en een geïmproviseerde gootsteen- met een echte kraan maar zonder afvoer. Ik heb een lange hobbelige busrit achter de rug en mijn blaas staat op knappen. `Moet je piesen?’ vraagt ze (Ze zegt vast netjes plassen maar in het Russisch klinkt het meer als de eerste term.) Ze pakt de emmer met afvoerwater onder de gootsteen vandaan en zegt `Ga hier maar even op, dat doe ik ’s nachts ook’. Vera bezocht al een tijdlang trouw de kerk van Vader Viacheslav in St Petersburg. Op een dag liet een vriendin haar foto’s zien van de pas gerestaureerde kerk van Lezje, waar zij haar zoon had laten dopen. Vera werd meteen verliefd op de lichtgele dorpskerk met haar zilveren koepels en besloot op Hemelvaartsdag, de dag waaraan deze kerk is gewijd, naar de mis in Lezje te gaan. Zowel in het dorp als in de kerk voelde zij zich meteen thuis. Maar toen werd Vera getroffen door rak, kanker. Nadat ze redelijk was hersteld, vertrok ze echter meteen weer naar Lezje om daar in de kerk te bidden. Ze was er bijna dagelijks te vinden, en toen de beheerster van de kerk voor de winter naar een kuuroord vertrok was het eigenlijk niet meer dan logisch dat Vera haar functie overnam.


Vera laat me zien waar ze slaapt, op een harde houten bank in de ontvangsthal. Ze heeft oploskoffie gemaakt en we eten er plakjes roggebrood en haring in rode wijnsaus bij. Op het kleine tafeltje liggen astma medicijnen. Nu de kerk ’s nachts wordt verhit om water aan de muren te onttrekken heeft Vera een alleen al pijnlijk klinkende hoest ontwikkeld. `Ach, ik hou nu eenmaal van extreem’ wuift de mijn bezorgde opmerkingen weg. `Altijd al zo geweest. Wist je dat ik vroeger bergbeklimmer was? Ik ging vaak alleen de bergen in. Ik gaf ook leiding aan groepen waarmee ik een bergpas in de Kaukasus overstak. Eén keer ben ik daar uitgegleden toen ik de haak wilde bevestigen waaraan de rest van de groep omhoog zou klimmen. Ik viel een aantal meters naar beneden langs de berg en schreeuwde van binnen “Gospodie pomiloy!” (God, help me). Toen ik mijn ogen opendeed zat ik veilig naast een grote steen, ik had alleen een lichte hersenschudding en heb zelfs de tocht nog afgemaakt. God heeft me werkelijk gered. Een tijd later besefte ik me dat ik iets terug wilde doen, en ik ben dankbaar dat ik in Lezje mag wonen om die schuld in te lossen.’

Geen opmerkingen:

Een reactie posten