zondag 23 augustus 2009

Datsja

Het grootste deel van Rusland bestaat nog uit echte natuur. En dan bedoel ik dus natuurlijk aangegroeide bossen waarin de berken niet in kaarsrechte rijtjes staan, en weiden met hoog gras en wilde bloemen in allerlei kleuren en maten. Als je op een deken in zo’n veld gaat liggen gonzen er tientallen insecten om je heen, ik heb er al veel zien vliegen waarvan ik het bestaan niet eens kende. Ook in het gras kruipt en sprint van alles rond, kikkertjes, sprinkhanen, felgekleurde torretjes en nog veel meer beestjes die je in Nederland waarschijnlijk alleen op de plank in de bibliotheek kunt vinden.

In iedere Rus schuilt een boer. Zelfs de Russen die in de stad wonen hebben vaak een datsja op het platte land. Zodra men daar aankomt gaan de hoge hakken uit en de rubber laarzen aan. De Russen weten aldus nog heel goed waar ze vandaan komen. De rollen zijn onmiddellijk weer traditioneel verdeeld. De mannen hakkenhout voor de banja, de vrouwen plukken bessen en wassen aardappels voor het avondeten.

Stromend water is er zelden, dat wordt gehaald uit een put of bron in de buurt. In de keuken hangt boven de gootsteen een emmer met een palletje eronder, dat water doorlaat als je er tegenaan duwt. Vaak hangt er de zurige geur van het één of ander dat in grote wekpotten in de vensterbank staat te gisten. Op het vuur pruttelt een grote pan met vleesafval en etensresten voor de waakhond buiten aan de ketting.

Anna Dmitriovna wijst me er op een dag op dat er geen drinkwater meer in de keuken is. Regenwater, waarmee we afwassen en schoonmaken, is er nog voldoende. Ik neem dus de grote jerrycan en een oud onderstel van een kinderwagen en loop naar de gezegende bron bij de kerk om zo’n tien liter water aan te vullen. Als ik terugkom met het karretje en de jerrycan eraf wil tillen begint Anna vanaf haar bankje in de moestuin ineens naar me te schreeuwen `Wat denk jij te gaan doen? Zet neer! Laat dat! Je bent toch niet alleen geweest?’ `Natuurlijk’ zeg ik. `Natuurlijk…’ briest ze `Zet neer! Slava, waar ben je? Breng dat water eens naar de keuken.’ Slava komt aangesloft en sleept de jerrycan aan een pezige arm naar de voordeur. Ondertussen ben ik naast de oude vrouw gaan zitten en vraag haar `Anna, jij tilt toch ook alles zelf, wat is er mis mee?’ Anna strijkt door mijn haren en schudt haar hoofd. `Nee, nee. Jij hebt nog tijd genoeg om te worden zoals ik. Eerst moet je nog mooi zijn, lief meisje. Jij moet nog dansen gaan, en kindertjes krijgen.’

De grove toon waarop ze me eerder terechtwees is ook een typisch plattelandsverschijnsel. Slava, die alweer buiten staat, schreeuwt: `Ach mens, jij lijkt de paus wel!’ `Psychisch geval!’ gilt ze terug. Dan barsten we gedrieën in lachen uit.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten